De regen viel niet in het dal; hij bleef hangen, als een koude, grijze lijkwade die zich vastklampte aan de oneffen stenen van het voorouderlijk landgoed. Binnen in het huis rook de lucht naar muffe wierook en de metaalachtige geur van ongepolijst zilver. Zainab zat in een hoek van de woonkamer; haar wereld was een tapijt van texturen en echo’s. Ze herkende precies het gekraak van de vloerplanken dat de aankomst van haar vader aankondigde: een doffe, ritmische dreun die het gewicht droeg van een man die zijn eigen geslacht zag als een afbrokkelend monument.
Ze was eenentwintig, en in de ogen van haar vader Malik was ze al gebroken glas. Voor hem was haar blindheid geen handicap; het was een goddelijke belediging, een smet op de onberispelijke reputatie van een familie die handelde in esthetiek en sociale status. Haar zussen, Aminah en Laila, waren de vergulde beelden in zijn galerij: glinsterende ogen en scherpe tongen. Zainab was slechts de schaduw die ze wierpen.
Het aas kwam niet met een woord, maar met een geur: de doordringende, aardse geur van de straten die het kale huis binnendrong.
—Sta op, ‘ding’— klonk de stem van haar vader hard. Hij noemde haar nooit bij haar naam. Iets een naam geven was de ziel ervan erkennen.
Zainab stond op en streek met haar vingers over de fluwelen rand van de fauteuil. Ze voelde een aanwezigheid in de kamer: de geur van houtrook, goedkope tabak en de ozon van een naderende storm.
‘De moskee heeft veel monden te voeden,’ zei Malik, met een wrede opluchting in zijn stem. ‘Eén van hen heeft ermee ingestemd je op te nemen. Je gaat morgen trouwen. Een bedelaar. Een blinde last voor een gebroken man. Perfecte symmetrie, vind je niet?’
De stilte die volgde was ijzingwekkend. Zainab voelde het bloed uit haar ledematen wegtrekken, waardoor haar vingers ijskoud werden. Ze huilde niet. Tranen waren een betaalmiddel dat ze op haar tiende al had uitgeput. Ze voelde simpelweg de wereld om haar heen wankelen.
De bruiloft was een hol, ritmisch getrommel van voetstappen en gedempt, gebroken gelach. Het vond plaats op de modderige binnenplaats van de plaatselijke magistraat, ver weg van de nieuwsgierige blikken van de dorpselite. Zainab droeg een ruwe linnen jurk: een laatste belediging van haar zussen. Ze voelde de eeltige hand van een vreemdeling de hare vastpakken. Zijn greep was stevig, verrassend stevig, maar haar mouw was gescheurd, de stof rafelde tegen haar pols.
‘Zij is nu jouw probleem,’ snauwde Malik, waarna een deur met een harde klap dichtviel.
De man, Yusha, zei niets. Hij leidde haar weg van het enige thuis dat ze ooit gekend had, zijn stappen vastberaden zelfs in de modder. Ze liepen wat uren leek te duren, de geur van jasmijn en gepolijst hout achterlatend, vervangen door de zilte, rottende geur van de rivieroevers en de dikke, vochtige lucht van de buitenwijken.
Zijn huis was een krot dat bij elke windvlaag zuchtte. Het rook er naar vochtige aarde en oude roet.